PARK GÜELL, EEN MEESTERWERK VAN ANTONI GAUDI

De overdonderende entree van Park Güell.
De overdonderende entree van Park Güell.

 

Tekst en fotografie: Tonny Buijs

In dit als modelwoning bedoelde huis woonde Gaudi van 1906 tot eind 1925. Het huis is niet door hem ontworpen. Nu herbergt het een klein aan hem gewijd museum.
In dit als modelwoning bedoelde huis woonde Gaudi van 1906 tot eind 1925. Het huis is niet door hem ontworpen. Nu herbergt het een klein aan hem gewijd museum.

Antoni Gaudi’s bekendste werk is ongetwijfeld de Sagrada Familia. De kathedraal waar hij met hart en ziel aan gewerkt heeft, maar die nog steeds op voltooiing wacht, terwijl de eerste steen al werd gelegd in 1882. Dat het meesterwerk in de steigers staat weerhoudt massa’s toeristen niet dit unieke bouwwerk te bewonderen. Het is zelfs zo dat wanneer je niet op tijd kaartjes reserveert je de kans loopt niet eens de binnenkant te kunnen aanschouwen, en dat is zeker een gemis. Gaudi weet bij zeer velen een snaar te raken, dus hij doet vast iets goeds…

Veel toeristen kunnen zich niet beheersen en moeten De Salamander, het symbool van Park Güell aanraken. Zelf vind ik het meer een kameleon.
Veel toeristen kunnen zich niet beheersen en moeten De Salamander, het symbool van Park Güell aanraken. Zelf vind ik het meer een kameleon.

Gelukkig deed Gaudi meer dan alleen het ontwerpen van gebouwen en een kathedraal. Wat nu bekend staat als Park Güell is begonnen en bedacht als een soort van privé tuindorp of tuinwijk. Dit gedeeltelijk in lijn met de ideeën van Ebenezer Howards tuinstad, een stad waar arbeiders grotendeels zelfvoorzienend moesten kunnen wonen vrij van de vervuiling van de geïndustrialiseerde stad. Gedeeltelijk, want Eusebi Güell, een Catalaanse industrieel en initiator van het project, had meer de gegoede burgerij op het oog als toekomstige bewoners dan de eenvoudige arbeider.

Op een afgesloten terrein van zo’n zeventien hectare moesten zestig huizen verijzen op driehoekige kavels. En, en dat kunnen wij ons in een nieuwbouwwijk niet meer voorstellen, slechts een zesde van het kaveloppervlak mocht bebouwd worden en alleen dienen als woonruimte. Ruime tuinen dus, en mogelijk veel groen. De locatie lag op een droge, kale en steile helling. Een prachtige uitdaging voor een groot ontwerper… Daar stond tegenover dat het uitzicht over de stad tot ver over zee geweldig was.

Güell was de man die Gaudi de opdracht gunde om het park te ontwerpen. Het ontwerp omvatte onder ander een portiershuisje, een bezoekersreceptie, een groot plein, een markt, een kapel. Daarbij was er ook nog een bewakingsservice actief. De bouw startte in 1900.

Het ‘landgoed’ werd geen succes simpelweg omdat er geen interesse was voor de huizen. Er werden er slechts twee gebouwd en in 1914 werd het project gestaakt. Gaudi kon zich nu volledig richten op de Sagrada Familia. De twee huizen zijn overigens niet ontworpen door Gaudi. Wel ging de grote meester er in een ervan wonen, van 1906 tot eind 1925. Nu doet dat gebouw dienst als een klein Gaudi-museum.

In 1926 werd Park Güell opengesteld als recreatiepark.

De kunstenaar Gaudi maakte deel uit van het Catalaans Modernisme. Zijn Sagrada Familia staat symbool voor deze stroming. Ik ben niet echt bekend met alle kunststromingen maar als ik erbij vertel dat het Catalaans Modernisme nauw verwant is met Jugendstil en Art Nouveau dan gaat er vast een lampje branden.

Engelse landschapsstijl, organische vormen

Efteling huisjes

DE PERFECTE BOOM (FOTO)

De Noordse esdoorn (Acer platanoides) in Kernavė Litouwen.
De Noordse esdoorn (Acer platanoides) in Kernavė Litouwen.

 

Tekst en fotografie: Tonny Buijs

Soms heb je een beeld in je hoofd van een foto die je heel graag wil maken. Ik was al jaren opzoek naar een solitaire boom die helemaal los zou komen van de achtergrond. Die boom zou dus idealiter op een heuvel of andere verhoging moeten staan.
Tijdens een korte roadtrip in Litouwen vond ik eindelijk het ideale model: een enorme bladloze Noordse esdoorn, een besneeuwde bodem en een sneeuwzwangere lucht. Het perfecte zwart-wit plaatje kon gemaakt worden.

De Noordse esdoorn (Acer platanoides) in Kernavė Litouwen.
De Noordse esdoorn (Acer platanoides) in Kernavė Litouwen.

Ik houd niet van bossen. Van solitaire bomen kan ik echter intens genieten. Van die eeuwenoude kolossen die nooit een strobreed in de weg is gelegd en daardoor hun perfecte groeivorm hebben kunnen behouden. In de tuin zou ik een boom zoveel ruimte geven dat hij nooit gesnoeid zou hoeven worden.  Dat is echter maar weinig tuinen gegeven.
In Nederland zie je niet veel oude solitaire bomen staan. In Litouwen zag ik er des te meer.

 

 

EEN DRAKENBLOEDBOOM OP GIBRALTAR

De ongelooflijk mooie vertakking van een Drakenbloedboom (Dracaena draco).
De ongelooflijk mooie vertakking van een Drakenbloedboom (Dracaena draco).

 

tekst en fotografie: Tonny Buijs

Zo heel af en toe ken ik nog een WOW-moment. En de beste zijn die die geheel onverwachts komen. Ik liep in Gibraltar heuvelafwaarts richting de binnenstad toen mijn oog plots viel op een grote zeer regelmatig vertakte boom. Ik moest toch twee keer kijken om enig idee te krijgen van de pracht van deze plant. En nog had ik geen idee waar ik precies naar keek. Nooit had ik een boom gezien die maar enigszins op deze leek. Die vertakking was wonderschoon, en op dat moment verkeerde ik nog in de onjuiste veronderstelling dat iemand hier een perfect staaltje snoeiwerk had afgeleverd.

Drakenbloedboom in de tuin van de Garrison bibliotheek.
Drakenbloedboom in de tuin van de Garrison bibliotheek.

Genoemde boom staat in de voortuin van de Garrison bibliotheek. Daar vormt hij de absolute blikvanger, het soort blikvanger dat eigenlijk in geen enkele tuin mag ontbreken. Maar ja, dit exemplaar schijnt er al te staan vanaf de Spaanse bezetting van Gibraltar en dat is toch alweer ruim driehonderd jaar geleden. En wie in Nederland heeft een tuin waar een plant zo lang ongestoord kan groeien? Matrozen schijnen indertijd zaad vanaf de Canarische Eilanden te hebben meegebracht waar de Drakenbloedboom van nature groeit. Of groeide, want in het wild schijnt hij zo goed als uitgestorven te zijn.

Op dat moment wist ik natuurlijk nog niet wat zijn naam was. Toen ik toevallig een Gibraltarese munt vond van een pond met daarop de afbeelding van deze boom kon ik de naam makkelijk vinden met Google.  Toen leerde ik ook dat de groeiwijze zoals ik die gezien had geheel natuurlijk was.

Drakenbloedboom in de tuin van de Garrison bibliotheek.
Drakenbloedboom in de tuin van de Garrison bibliotheek.

De boom is helaas in Nederland niet winterhard. Wel is hij goed in een kuip te houden zodat hij bij temperaturen onder de zes graden naar veiliger oorden is te transporteren. En omdat hij zeer langzaam groeit, één meter in tien jaar, blijft hij in een kuip ook lang handelbaar. Voor een WOW-ervaring zul je echter naar een land van oorsprong of een daarmee vergelijkbaar klimaat moeten, want grootte doet er wel degelijk toe.

Zijn naam is afgeleid van de rode hars die vrijkomt bij een wond in de bast of bij het kneuzen van de bladeren: het Drakenbloed. Overigens is het maar de vraag of je hier kunt spreken van de bast…. De Drakenbloedboom is een eenzaadlobbige en is dus geen boom in die zin dat hij jaarringen maakt….

 

Bezoek aan: JARDINS DE MOSSÈN CINTO VERDAGUER

De prachtig aangelegde vijveropgang.
De prachtig ontworpen en aangelegde vijveropgang.

 

tekst en fotografie: Tonny Buijs

Meestal zoek ik mijn heil in het Hoge Noorden. Helaas is het daar wat betreft prachtig aangelegde tuinen niet bepaald een Walhalla. Daarvoor zou ik beter naar het Zuiden kunnen afreizen. Vanwege Gaudi viel de keus op Barcelona. Als tuinliefhebber moet je natuurlijk het door Gaudi ontworpen Park Güell bezoeken (daarover in een volgend artikel meer).

Magnolia grandiflora
Magnolia grandiflora
Magnolia grandiflora zaaddoos
Magnolia grandiflora zaaddoos.

De stad kent echter veel meer openbare tuinen / parken. Op de heuvel Montjuïc is een hele serie verschillende tuinen aangelegd. Door tijdgebrek heb ik ze niet alle bezocht. Over een tuin, genaamd: de JARDINS DE MOSSÈN CINTO VERDAGUER wil ik hieronder het een en ander kwijt. Over zaken die goed zijn, maar ook over zaken die, gelukkig, voor mijn gevoel anders zouden moeten. Ik bedoel, op Park Güell valt niets af te dingen, in elk geval niet door mij. Dat Park grenst aan perfectie en uitleggen waarom iets perfect is voelt niet goed. Gelukkig dus, dat ook anderen, zoals de ontwerper van onderstaande tuin, daar nog steeds naar moeten en willen streven.

JARDINS DE MOSSÈN CINTO VERDAGUER
Ik pakte de ingang die het dichtst bij de uitgang van de tandradbaan ligt. Bij binnenkomst vielen direct de Magnolias (Magnolia grandiflora) op, die tot grote bomen zijn uitgegroeid. Vanaf het voorjaar tot aan het begin van de zomer, in volle bloei, zullen die zorgen voor een indrukwekkende bloemenpracht. Deze soort heeft enorme bloemen die daarbij ook nog eens heerlijk geuren.  Nu, half september, zorgen de fel gekleurde zaaddozen (zaadkegels?) voor prachtige details. In Nederland heb ik deze altijd groene Magnolia-soort ook wel in tuinen gezien, maar dat waren nietszeggende planten vergeleken bij deze. Voor een beter resultaat in Nederland zal het klimaat toch echt wat meer moeten veranderen.

De eerste indruk
De eerste indruk
Olijfbomen (Olea europaea) ontbreken ook niet. Ze vallen in het niet bij de coniferen.
Olijfbomen (Olea europaea) ontbreken ook niet. Ze vallen in het niet bij de coniferen.

Op het eerste gezicht valt er niet direct een lijn in het park te ontdekken en vaak is dat geen goed teken. Geasfalteerde paden banen zich een speelse weg omhoog langs de met gras beklede helling. Verspreid staande bomen en boomgroepjes van diverse pluimage, een mix van coniferen en loofbomen, zorgen voor schaduw; broodnodige schaduw. Een tuin is geen tuin wanneer er niet minstens een boom in staat. Vanuit esthetische overwegingen mogen bomen niet ontbreken, maar in dit zonnige klimaat is het bittere noodzaak: ze zorgen voor functionele schaduw. Dat blijkt ook wel doordat bezoekers direct de schaduw opzoeken.

Een kortere weg omhoog
Een kortere weg omhoog

Hier en daar kan de geasfalteerde slingerweg afgekort worden. Daar gaan rechte trappen steiler omhoog om de terugbuigende paden later weer te treffen. Hier kreeg ik een beetje de kriebels van. Het rechte viel uit de toon….

De trap met groenblijvende steeneiken (Quercus ilex). Die lantaarn staat in het echt wel recht.... komt door vertekening van mijn groothoeklens.
De trap met groenblijvende steeneiken (Quercus ilex). Die lantaarn staat in het echt wel recht…. komt door vertekening van mijn groothoeklens.

De trap geflankeerd met steeneiken (Quercus ilex) illustreerde dat het best. Het is grappig dat ik deze steeneiken ook ken van een aantal tuinen in Nederland. Echt veel zie je ze niet. ‘Onze’ eiken worden in kegels gesnoeid en omdat ze ook altijd groen zijn, zijn het dankbare aanwinsten in een strakke tuin. De eiken langs de bijna kaarsrechte trap (!) hadden hun natuurlijke groeiwijze behouden, en dat jeukte ook.

Vijver (detail), de overloop. Merk op dat de overloop van de verschillende vijvers in een lijn zijn geplaatst! Dit zijn de vijvers aan de rechterkant van de centrale opgang.
Vijver (detail), de overloop. Merk op dat de overloop van de verschillende vijvers in een lijn zijn geplaatst! Dit zijn de vijvers aan de linkerkant van de centrale opgang.
Vijver (detail), de overloop.
Vijver (detail), de overloop.

De vijvers
En dan, bovenaan de trap gekomen, bevind je je ineens op een fantastisch gedeelte van het park. Een vijverpartij wiens gelijke ik nog niet heb gezien. En dit alles met rechte lijnen, op een helling waar alles om organische vormen schreeuwt. Okee, toegegeven,  de vijverpartij is dan wel strak, maar ook heel speels. Aan weerszijden van een in rechte lijn liggende serie plateaus bevinden zich talloze rechthoekige vijvers. De vijvers lijken redelijk willekeurig geplaatst wat het speelse gevoel veroorzaakt. Echter, er zijn twee rechte lijnen die parallel aan de centrale opgang lopen… En dat zijn de lijnen van de wateroverlopen; een links van de opgang en een rechts. Ik ben ervan overtuigd dat deze twee lijnen de hele vijverpartij tot een eenheid smeden.

Ook aan de beplanting is aandacht besteed.
Ook aan de beplanting is aandacht besteed.
Ook aan de beplanting is aandacht besteed.
Ook aan de beplanting is aandacht besteed.
Ook aan de beplanting is aandacht besteed.
Ook aan de beplanting is aandacht besteed.

Een tuin in een zonnig en heet klimaat kan natuurlijk niet zonder water. De verkoelende kracht voelt als een weldaad. In deze tuin zijn vijvers ruim vertegenwoordigd. Boven de strakke vijveropgang bevindt zich een ouder uitziende vijver. Deze is van geheel andere aard en ik denk ook veel eerder aangelegd. Een soortgelijke maar veel grotere vijver tenslotte ligt een stukje heuvelafwaarts. Plantengroei ontbreekt in laatstgenoemde geheel, wel is het water daar vergeven van de blauwalgen hetgeen zorgt voor een troosteloze aanblik. Algen en vijvers… je zou er een boek over kunnen schrijven.

De boven de strakke vijveropgang gelegen vijver. Een beetje voorspelbaar maar daarom niet minder mooi zijn de twee Moerascypressen (Taxodium distichum).
De boven de strakke vijveropgang gelegen vijver. Een beetje voorspelbaar maar daarom niet minder mooi zijn de twee Moerascypressen (Taxodium distichum).
De bovenste vijver.
De bovenste vijver.


De Bloemenbeek
De Bloemenbeek


Een Bloemenbeek
Het zag eruit als een lieflijk kabbelend beekje dat sierlijk meanderend de heuvel afkwam. Dit idee sprak me aan. Alleen ging de beek een beetje verloren in het geheel. Wellicht dat de beek niet breed genoeg was, of misschien kwam het wel dat de gebruikte planten niet voldoende de aandacht (meer) trokken.  Zelf had ik er op zijn minst een Bloemenrivier van gemaakt met hier en daar een waterval….

De beek kruist de asfaltweg.
De beek kruist de asfaltweg.
Lampenpoetsersgras (Pennisetum alopecuroides), ook een graag geziene plant in Nederlandse tuinen.
Lampenpoetsersgras (Pennisetum alopecuroides), ook een graag geziene plant in Nederlandse tuinen.

Het was een leerzame wandeling. Het is duidelijk dat een element, hoe mooi het ook ontworpen is, niet de hele tuin omhoog kan tillen als de rest van het ontwerp niet deugd. In deze tuin bevinden zich waterpartijen ontworpen in een van elkaar verschillende stijl. Dat zou mijn keuze niet zijn. Een andere storende factor zijn het door elkaar heen lopen van strakke en organische vormen. Binnen een ruimte blijkt dat eigenlijk niet te kunnen, het werkt gewoon niet. In elk geval niet voor mij. Op deze glooiende helling zou ik alles met vloeiende lijnen ontworpen hebben. De Bloemenbeek tenslotte vind ik een leuk idee. Een idee dat door de geringe omvang een beetje ondersneeuwde in het geheel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Bloemenbeek kruist de asfaltweg.
Lampenpoetsersgras (Pennisetum alopecuroides), prominent aanwezig in de Bloemenbeek

 

 

 

 

 

 

De Bloemenbeek.
De Bloemenbeek.

DE BEELDENTUIN VAN EINAR JÓNSSON

Grief by Einar Jónsson
‘Verdriet’ door Einar Jónsson

 

tekst en fotografie: Tonny Buijs

Ofschoon ik Reykjavik al meermalen bezocht had en de beeldentuin van Einar Jónsson pal naast de grootste publiekstrekker, de Hallgrímskirkja, van de stad ligt, heb ik deze al die keren compleet over het hoofd gezien. Min of meer bij toeval liep ik er nu pal tegenaan. De beplanting die de tuin scheidde van de langslopende straten was blijkbaar gedund waardoor een glimp van de beelden daarachter makkelijker te vangen is.
De grote poort was open en nieuwsgierig geworden besloot ik op ontdekkingstocht te gaan.

Zicht vanuit de beeldentuin op de achterkant van het Einar Jónsson museum.
Zicht vanuit de beeldentuin op de achterkant van het Einar Jónsson museum.

Er bestaan vele soorten tuinen. Om er slechts een paar te noemen: speeltuinen, moestuinen, botanische tuinen en dus ook beeldentuinen. Elk met zijn eigen set van ‘regeltjes’ en min of meer eigen logische indeling. In een beeldentuin staan de beelden centraal dat zal duidelijk zijn. Net zozeer als ik de kunstwerken van Einar Jónsson wilde leren kennen, was ik ook beroepsmatig benieuwd hoe de ruimte was ingedeeld en ingericht.

De centrale as, zo lijkt alles nog symmetrisch. Geitenbaard, Aruncus dioicus, vormt een mooie afscheiding tussen de beelden en het gebouw.
De centrale as, zo lijkt alles nog symmetrisch. Geitenbaard, Aruncus dioicus, vormt een mooie afscheiding tussen de beelden en het gebouw.
De ruimte links van de centrale as.
De ruimte links van de centrale as.
De ruimte rechts van de centrale as.
De ruimte rechts van de centrale as.

Allereerst valt het imposante symmetrische gebouw op. De stijl deed me gelijk denken aan het nog grotere betonnen bouwwerk dat hoog op de Veluwe staat: Radio Kootwijk. Radio Kootwijk is gebouwd in Art Deco stijl en daar is niet alleen het gebouw symmetrisch maar is de symmetrie ook minutieus doorgevoerd in de omliggende ruimte. Deze vormvastheid ontbreekt in Jónsson’s beeldentuin. De ruimte wordt nog wel doorsneden met een centrale as maar er wordt niets gespiegeld in die as. Als je ervan uitgaat dat de tuin en het huis een eenheid, in stijl, zouden moeten vormen dan is hier wel een kans gemist.

Tuinieren op IJsland is uitdagend werk. Weer, wind en het korte groeiseizoen beperken de plantenkeuze aanzienlijk. En dat is in het overgrote deel van de tuinen dan ook duidelijk te zien. Maar degenen die de botanische tuinen van Reykjavik en Akureyri hebben bezocht zullen toch kunnen beamen dat er toch heel wat mogelijk is… Het vereist een enorme toewijding om die tuinen zo tentoon te stellen.

Het grote beeld op de centrale as.
Het grote beeld op de centrale as.

De beplanting in de Beeldentuin van Einar Jónsson is niet spectaculair. Het opvallendste is het plantvak met Geitenbaard, Aruncus dioicus, dat bijna de gehele breedte van het gebouw beslaat.

In een tuin waar de beelden centraal staan is het ook logisch dat planten eerder ondersteunend zijn dan beeldbepalend. Strakke hagen die hierbij in Nederland zeker een rol zouden kunnen spelen van Taxus, Haagbeuk (Carpinus), Beuk (Fagus) en zelfs Buxus zijn op IJsland echter zo goed als onmogelijk. Een strakke betonmuur kan eenzelfde functie verrichten. En in dit geval is dat helemaal zo gek nog niet gek omdat het materiaal mooi aansluit op het hoofdgebouw.

Een betonmuur als achtergrond.
Een betonmuur als achtergrond en de beelden op hoge sokkels. Ook voor de muur is de symmetrie niet perfect doorgevoerd. Wellicht had de hovenier hier tijdens de aanleg niet zijn beste dag…
Een betonmuur als achtergrond.
Een betonmuur als achtergrond. Duidelijk is te zien dat het beeld bewust uit het midden is geplaatst.

De beelden zijn hier alle op – hoge – sokkels geplaatst. Het verheft ze letterlijk in de ruimte, maakt ze daardoor belangrijker en zichtbaarder. Het is behoorlijk recht voor zijn raap en dat past hier ook goed. Geen tuin is tegenwoordig compleet zonder goed belichtingsplan. Dat hier een flinke lichtinstallatie is aangelegd wekt dan ook geen verbazing. Er staan flinke spots om de beelden ook in de – donkere – wintermaanden mooi uit te lichten.

Flinke spots om de beelden uit te lichten.
Flinke spots om de beelden uit te lichten.

Het was prettig toeven in Jónsson’s beeldentuin. Ik heb genoten van zijn beelden, en ik kreeg een indruk en vormde een mening omtrent de inrichting van de tuin. Mijn grootste ontdekking deed ik echter toen ik richting de Hallmgrímskirkja liep. Hier besefte ik dat twee ontwerpers op nog geen paar honderd meter afstand van elkaar eenzelfde ‘truuk’ hadden toegepast. Ik kan me niet herinneren die ooit eerder bij een (tuin)ontwerp te hebben gezien; het is me in elk geval nooit eerder opgevallen. Wat wil het geval? Zowel de Hallgrímskirkja als de tuinkant van het gebouw van de beeldentuin zijn symmetrisch en hebben de toegangsdeur precies in het midden. Bij beide is op de centrale as, als een obstakel, op weg naar de toegang een beeld geplaatst. Omdat achter beide beelden voldoende ruimte ligt ervaar je deze niet als een sta-in-de-weg, maar creëren ze wel diepte in de ruimte. Deze constatering vormde die dag een belangrijke les.

Het standbeeld van Leifur Eiríksson staat pal voor de Hallgrímskirkja op de centrale as.
Het standbeeld van Leifur Eiríksson staat pal voor de toegang van de Hallgrímskirkja op de centrale as.
Ook dit beeld staat pal voor de toegang op de centrale as.
Ook dit beeld staat pal voor de toegang op de centrale as.
Het beeld geeft diepte aan de ruimte zonder dat het een obstakel wordt. Er is voldoende afstand gelaten tussen het beeld en de toegangsdeur.
Het beeld geeft diepte aan de ruimte zonder dat het een obstakel wordt. Er is voldoende afstand gelaten tussen het beeld en de toegangsdeur.
Ook hier is voldoende afstand gelaten tussen beeld en toegangsdeur.
Ook hier is voldoende afstand gelaten tussen beeld en toegangsdeur.

 

 

Beeld van Einar Jónsson
Beeld van Einar Jónsson; Gebed.
Beeld van Einar Jónsson
Beeld van Einar Jónsson; Aarde.
Beeld van Einar Jónsson, Thor vecht tegen de ouderdom. De Edda was duidelijk een inspiratiebron voor zijn werk.
Beeld van Einar Jónsson; Thor vecht tegen de ouderdom. Einar haalde zijn inspiratie ook uit de Edda.
Beeld van Einar Jónsson
Beeld van Einar Jónsson; Ymir en Audhumla, ook geïnspireerd op de Edda en de Noordse mythologie.

TUINORCHIDEEËN

Vrouwenschoentjes zijn te beschouwen als de koninginnen onder de tuinorchideeën. Dit is : Cypripedium x ventricosum.
Vrouwenschoentjes zijn te beschouwen als de koninginnen onder de tuinorchideeën. Dit is : Cypripedium x ventricosum.

 

tekst en fotografie: Tonny Buijs

Nog altijd worden orchideeën geassocieerd met de tropen en een warm plekje in de huiskamer. Dat is niet geheel terecht, maar wel begrijpelijk. De immens populaire Vlinderorchidee (Phalaenopsis hybr.) heeft bij velen een vaste plek in de vensterbank gevonden. En het overgrote deel van de zo’n 26.000 bekende orchideeënsoorten groeit ook op het warmere gedeelte van de wereld. Nederland kent ‘slechts’ negenenveertig inheemse soorten, terwijl het nog noordelijker gelegen IJsland er bijvoorbeeld maar zeven kent. Qua klimaat zou je onze inheemse soorten makkelijk in je tuin kunnen hebben. Ze groeien hier immers niet voor niets. De meeste orchideeën echter stellen zulke specifieke eisen aan hun leefgebied dat ze maar zelden spontaan in een tuin zullen opduiken. De enige uitzondering die ik in Elden (Arnhem-Zuid) ken, is de Brede- of Breedbladige wespenorchis (Epipactis helleborine). Die heb ik al in diverse tuinen zien staan zonder dat de eigenaren wisten dat ze heuse orchideeën bezaten.

Bijenorchis (Ophrys apifera). Dit is een heel apart en uniek exemplaar. Hij heeft geen bladgroen en heeft dus schimmels nodig om te kunnen overleven. Foto is gemaakt in Frankrijk.
Bijenorchis (Ophrys apifera). Dit is een heel apart en uniek exemplaar. Het heeft geen bladgroen en heeft dus schimmels nodig om te kunnen overleven. Foto is gemaakt in Frankrijk.

Als regel kun je stellen dat onze inheemse soorten bij lange na niet zo opvallend zijn als hun tropische tegenhangers. Bij de meeste zul je echt door de knieën moeten om ze goed te kunnen zien. Dat doet verder niets af aan hun schoonheid die voor velen verslavend werkt. Ik denk niet dat er een andere plantenfamilie bestaat die zoveel, en zulke extreme liefhebbers trekt. Orchideeënkoorts is misschien niet direct levensbedreigend, maar wel bepalend voor de beperkte inhoud van je portemonnee en schaarste aan vrije tijd.
Een aantal Nederlandse soorten is zeker wel in de tuin te houden. Daarnaast zijn er diverse soorten afkomstig uit de gematigde klimaatzones van de wereld die het bij ons met enige moeite ook (goed) kunnen doen. In dit artikel wil ik naast het geven van wat noodzakelijke achtergrondinformatie een aantal voor Nederland winterharde orchideeën noemen en dan met name de soorten waarmee ik zelf ervaring heb opgedaan.

Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), in de achtergrond enkele Rietorchissen.
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), met op de achtergrond enkele Rietorchissen.

Waar te vinden?
Een beperkt aantal winterharde orchideeën is verkrijgbaar bij ‘normale’ tuincentra. Voorbeelden daarvan zijn de Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa), de Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en de Japanse orchidee (Bletilla striata). Voor tuinorchideeënbegrippen zijn dit makkelijke soorten. Verder zijn er een paar gespecialiseerde kwekers waar een grotere verscheidenheid aangeboden wordt; ik wil hier de kwekerij van Judith Prins noemen omdat ik daarmee goede ervaringen heb. Ebay, waar hobbykwekers hun overschot aan planten verkopen, kan ook een bron zijn. En natuurlijk zijn er specialistische plantenbeurzen.

In natuurgebieden zijn ze zeer zeker ook te vinden. Het gebeurt nog steeds dat wilde orchideeën uitgestoken worden en in tuinen belanden. Even daargelaten dat het niet mag, het heeft ook geen enkel nut. De uitgestoken planten overleven het nagenoeg nooit. Meestal laten ze het al snel afweten en bijna zeker komen ze het jaar erop niet meer terug. Kennelijk zijn ze zo specifiek vergroeid met hun oorspronkelijke standplaats, bijvoorbeeld met de daar voorkomende schimmels dat ze het zonder hun speciale vrienden op een andere plek gewoon niet redden.

Mijn 'laboratorium'.
Mijn ‘laboratorium’.

De meeste planten die bij kwekers vandaan komen zijn onder laboratoriumomstandigheden gezaaid en daardoor veel minder afhankelijk van schimmels en andere specifieke bodemomstandigheden. De kans dat deze planten in de tuin aanslaan is enorm veel groter. En met name als het zaad waaruit ze gegroeid zijn ook afkomstig was van eerdere generaties tuinplanten. ‘Darwin at work’ zullen we maar zeggen. Eerlijkheidshalve moet ik er wel bij zeggen dat ik zelf te kort met zaaien en kweken bezig ben om dit uit eigen ervaring te kunnen bevestigen (en ik ben nu zo’n vijftien jaar met tuinorchideeën bezig….).

Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo’n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto’s bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida).
Koraalwortel (Corallorhiza trifida). Dit plantje, op IJsland gefotografeerd, is slechts zo'n 10 cm hoog. Omdat hij zo bijzonder is, heb ik meerdere foto's bijgevoegd.
Koraalwortel (Corallorhiza trifida).

Schimmels en zaad
Aardorchideeën, orchideeën die wortelen in de aarde, zoals onze tuinorchideeën, onderhouden vanaf hun prilste moment ingewikkelde relaties met schimmels. Zonder de juiste schimmel zal in de natuur geen orchideeënzaad ontkiemen. En dat stelt degene die orchideeën wil zaaien natuurlijk voor de nodige problemen. Even wat zaadjes uitstrooien in een bak zaai- en stekgrond is volstrekt kansloos.
Orchideeënzaad is zo klein dat het wel stofzaad genoemd wordt. Dit zaad kan zo klein zijn omdat het totaal geen reservevoedsel bevat, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een bruine boon die wij mensen goed kunnen eten juist omwille van al dat reservevoedsel. Een klompje embryonalecellen omgeven door een min of meer ondoordringbare huid, de testa, is alles wat er is. De testa vormt een beschermlaag rond het embryo en bevat tevens kiemremmers. Wanneer deze kiemremmers uitgewerkt zijn, bijvoorbeeld onder invloed van een koude-, of vorstperiode, dan pas kan de testa worden binnengedrongen. In de natuur gebeurt dit door soortspecifieke schimmels. Komt deze speciale schimmel niet voor in de bodem waar het zaad terecht is gekomen dan zal het niet ontkiemen. In het geval dat er wel een juiste combinatie schimmel en zaad aanwezig is, dan dringt een schimmeldraad door tot het embryo. Het ochideeënembryo onttrekt daarop voedingsstoffen aan de schimmel en begint te groeien. Of de schimmel ooit beloond wordt voor zijn goede gedrag is mij niet bekend.
Soms blijven orchideeën hun hele leven lang afhankelijk van schimmels. Dat hangt af van de soort, maar soms zijn er exemplaren binnen een soort die niet zonder schimmel kunnen terwijl de rest ‘gewoon’ fotosynthese als energiebron gebruikt.

Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum). Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum). Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), je ziet waar de naam vandaan komt. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), je ziet waar de naam vandaan komt. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), bijna niet te geloven dat zo'n grote plant zonder bladgroen kan. Foto is gemaakt op Lesbos.
Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), bijna niet te geloven dat zo’n grote plant zonder bladgroen kan. Foto is gemaakt op Lesbos.

Orchideeënsoorten zonder bladgroen, nodig voor fotosynthese, zoals bijvoorbeeld de Koraalwortel (Corallorhiza trifida), de Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum) en het Vogelnestje (Neottia nidus-avis) kunnen niet zonder schimmel(s). Dit soort orchideeën is natuurlijk volstrekt kansloos in een tuin, tenzij je de mazzel hebt dat ze er van nature groeien. Logischerwijze volgt hieruit dat planten die volop in het bladgroen zitten, zoals de diverse soorten uit het geslacht Cypripedium, een veel grotere kans in de tuin maken.
Zo gaat het in de natuur. Maar met het schimmmelverhaal schiet je als orchideeënkweker in beginsel niet veel op. (En toch moet je het goed in gedachten houden want er valt zeker wel iets mee te doen.) Er is wel getracht om deze soortspecifieke schimmels te isoleren en te vermeerderen om ze daarna te gebruiken om orchideeënzaad tot kieming te bewegen. Echt populair is deze omslachtige methode nooit geworden. Bovendien is er een veel makkelijker methode gevonden. Relatief gezien dan…, want het lijkt in bijna niets op het zaaien van worteltjes en boontjes.

Enkele weken tot maanden na het zaaien kiemt het zaad en spreek je van 'protocormen'.
Enkele weken tot maanden na het zaaien kiemt het zaad en spreek je van ‘protocormen’.

Reageerbuisbaby’s
Het leven van onze tuinorchideeën begint, vegetatieve vermeerdering daargelaten, uiteraard in een laboratorium. Onder gecontroleerde omstandigheden wordt hier zo’n luilekkerland voor het orchideeënembryo gecreëerd dat het welhaast moet groeien (maar het vaak genoeg toch laat afweten). Het zaaien gebeurt onder steriele omstandigheden op een speciale steriel gemaakte voedingsbodem in steriele bakjes. De voedingsbodem is zo samengesteld dat het ’t embryo aan niets ontbreekt. Schimmels en bacteriën zijn echter ook verzot op deze bodems vandaar dat steriel werken noodzakelijk is. Het embryo wint het nooit van deze ongewenste indringers in geval van besmetting.
We hebben dus een steriele omgeving nodig om in te werken. Een zogenaamde flowkast voldoet perfect. Gefilterde lucht blaast je hierin tegemoet. Het filter is dermate fijn dat het bacteriën en schimmels weet tegen te houden. Gesteriliseerde bakjes zijn te koop, of anders zijn glazen potjes te ontsmetten met behulp van een hoge druk pan. Ook de voedingsbodem wordt steriel gemaakt in zo’n pan. Rest nog: het orchideeënzaad.

De protocormen groeien uit en zowaar er lijkt iets van een plantje te ontstaan.
De protocormen groeien uit en zowaar er lijkt iets van een plantje te ontstaan.

Als het zaad rijp is barst een zaadpeul open. Op dat moment weet je twee dingen. Het zaad is aan de buitenlucht blootgesteld en dus niet steriel meer. Daarbij weet je ook dat het zaad voorbereid is op wat de natuur brengen kan en dus voorzien is van kiemremmers om voortijdige ontkieming te voorkomen. Tom Poes verzin een list. En hij bedacht een goede. Het zaad wordt door kwekers met chloor gesteriliseerd. Vrij zwevend in een chlooroplossing wordt de buitenkant van het zaad ontdaan van levende bacteriën en schimmels. Het agressieve chloor heeft echter nog een voordeel. Het verzwakt de testa dusdanig dat het mogelijk wordt voor het embryo om in contact te komen met de voedingstoffen in de bodem. Om van het agressieve chloor af te komen wordt er nagespoeld met gesteriliseerd water.

Het kweken van een goed wortelgestel is bij alle planten van groot belang maar doorslaggevend bij orchideeën.
Het kweken van een goed wortelgestel is bij alle planten van groot belang maar doorslaggevend bij orchideeën.

Er is echter nog een truuk: het gebruik van onrijp zaad. Dat de timing van het oogsten hierbij heel nauwgezet komt mag duidelijk zijn. Als het zaad te vroeg wordt geoogst is het niet levensvatbaar. Het zaaien uit een ‘groene peul’ heeft als voordeel dat kiemingsremmers nog niet gevormd zijn en dat het zaad in een gesloten peul nog steriel is. Het gebruik van chloor is nu dus overbodig.
Ik heb beide methoden gebruikt bij het zaaien van orchideeën uit het geslacht Cypripedium (Vrouwenschoentjes) en ze werkten daarbij beide. Toch is dit niet vanzelfsprekend. Zaad van soorten uit het geslacht Epipactis (Wespenorchissen) blijkt zeer moeilijk tot kieming te brengen in het laboratorium, zowel met rijp als met onrijp zaad. En dan kom ik toch weer terug op de natuur met haar schimmels.

Het moment nadert dat de plantjes die nog steeds in een steriele omgeving staan in de boze buitenwereld uitgeplant gaan worden.
Het moment nadert dat de plantjes die nog steeds in een steriele omgeving staan in de boze buitenwereld uitgeplant gaan worden.

Epipactissoorten zijn relatief makkelijk vegetatief te vermeerderen en ook relatief makkelijk in de tuin te houden. Zoals opgemerkt is zaaien bijna niet te doen. Ik heb ooit na massaal zaaien een paar plantjes overgehouden; het was de moeite echter niet waard. Via Ebay kwam ik in contact met iemand die diverse kruisingen tussen Wespenorchissoorten aanbood. Kruisingen ontstaan uit zaad dus ik was benieuwd naar zijn manier van zaaien. Het maken van een kruising is bij orchideeën bijna altijd een fluitje van een cent. In de natuur komen spontane kruisingen dan ook volop voor. Zelf stuifmeel overbrengen van de ene soort op de stamper van de andere soort is een makkie. ‘Appeltje eitje’, zou Willem zeggen. En je weet precies welke kruising je hebt gemaakt. Alleen moet het zaad nog wel willen kiemen. En je moet er vanzelfsprekend voor zorgen dat insecten je scheppende werk niet voor je hebben kunnen doen.
Orchideeën zijn natuurlijk niet de enige planten die samenwerken of anderszins een relatie met schimmels onderhouden. Soms valt het op dat bepaalde soorten orchideeën vaak bij een bepaalde soort andere plant groeien. Ik kan dit zelf slechts als anekdotisch bewijs aanvoeren maar ik zie Epipactis helleborine opvallend vaak opduiken onder (hagen) van de Haagbeuk (Carpinus betulus). En bij een collega-kweker groeit de Epipactis helleborine opvallend goed onder een berk (Betula pendula). Zou het kunnen zijn dat deze orchidee profiteert van de schimmels die leven rond de wortels van deze bomen?

http://www.vereniging-orchideeen-vermeerdering.nl/site/index.php
In dit orchideeëntuintje probeer ik gebruik te maken van de schimmels die samenleven met de wortels van deze berken.
Deze Epipactissen stonden er na een groeiseizoen zeer fraai bij. Ik had ze geplant tussen de berken van de vorige foto. Het jaar erop moest ik verhuizen dus ik weer niet of het goede resultaat zich zou hebben doorgezet.
Deze Epipactissen stonden er na een groeiseizoen zeer fraai bij. Ik had ze geplant tussen de berken van de vorige foto. Het jaar erop moest ik verhuizen dus ik weer niet of het goede resultaat zich zou hebben doorgezet.

Mijn collega van Ebay is overtuigd van dit samenleven. Hij schraapt de grond weg tot de wortels van de bomen bloot komen te liggen en zaait daarop het zaad van zijn Wespenorchissen(kruisingen). En hij behaalt resultaat. Dus… Tussen twee haakjes, de boomwortels waarop hij zaait zijn die van de Grove den (Pinus sylvestris), de Hazelaar (Corylus avellana) en de (!) Haagbeuk (Carpinus betulus).
Er valt nog zoveel te ontdekken omtrent (tuin)orchideeën en het kweken ervan. Mocht je het risico willen lopen van een besmetting met orchideeënkoorts dan kan de Vereniging Orchideeën Vermeerdering  je op weg helpen met de grondbeginselen van het zaaien.

Cypripedium 'Little Charlie'. Een kruising die ikzelf maakte uit: C. parviflorum var. makasin x C. macranthos 'Alba'. Helaas was ik met deze kruising net te laat om hem als nieuw te registreren en een een naam te mogen geven.
Cypripedium ‘Little Charlie’. Een kruising die ikzelf maakte uit: C. parviflorum var. makasin x C. macranthos ‘Alba’. Helaas was ik met deze kruising net te laat om hem als nieuw te registreren en een een naam te mogen geven.
Cypripedium x ventricosum doet het bij mij heel goed en geeft vaak meerdere bloemen per steel.
Cypripedium x ventricosum doet het bij mij heel goed en geeft vaak meerdere bloemen per steel.
Cypripedium parviflorum var. makasin komt als een van de eerste Vrouwenschoentjes boven de grond. Ik ben er een fan van.
Cypripedium parviflorum var. makasin komt als een van de eerste Vrouwenschoentjes boven de grond. Ik ben er een fan van.

Cypripedium (Vrouwenschoentjes)
Voor velen vormen de soorten uit het geslacht Cypripedium de kroon op hun tuinorchideeëncollectie. Sommige planten kunnen uitgroeien tot flinke pollen. En voor tuinorchideeënbegrippen zijn het sowieso al grote planten. Ze staan het liefst in lichte schaduw zonder ooit in fel zonlicht te hoeven komen. De bodem waarin ze staan moet luchtig en goed doorlatend zijn. De praktijk is echter weerbarstiger dan de theorie… Seramis en Perliet hebben bij mij een positief effect op de overlevingskansen van de Vrouwenschoentjes, potgrond juist een negatief.

Cypripedium calceolus, de enige vertegenwordiger uit het geslacht Vrouwenschoentjes die van nature in Noordwest-Europa voorkomt.
Cypripedium calceolus, de enige vertegenwordiger uit het geslacht Vrouwenschoentjes die van nature in Noordwest-Europa voorkomt.

Cypripedium calceolus is de enige soort die in West-Europa voorkomt; wereldwijd bestaan er zo’n vijfenveertig soorten. Deze plant werd zo’n geliefd verzamelobject dat hij bijvoorbeeld in Engeland totaal in het wild dreigde te verdwijnen. De resterende plant(ten) worden daar nu dag en nacht bewaakt. C. calceolus is van de Cypripediums niet de makkelijkste om succesvol te zaaien, en Cypripediums zijn al niet de makkelijkste, maar het lukt in voldoende mate waardoor zelfs deze planten bij speciale kwekers inmiddels gewoon te koop zijn.

De eerste tuinorchideeën die ik kocht, dat was tijdens een orchideeënbeurs hier in de buurt in Oosterhout, waren Cypripediums. Sindsdien heb ik altijd een soort haat – liefde relatie met ze gehad. Na al die jaren heb ik nog steeds geen methode gevonden om alle planten met een grote mate van zekerheid door de winter te loodsen. Sommige individuele planten heb ik vele jaren lang, maar van vele moet ik na een winter afscheid nemen omdat ze of verrot of verdroogd zijn. Gelukkig lukt het zaaien van Cypripediums, de soorten en de kruisingen die ik zelf maak, mij behoorlijk goed. Maar zelfs de mogelijkheid om te experimenteren met duizenden zaailingen heeft mij tot nu toe niet het ultieme antwoord opgeleverd. Uitermate frustrerend… De bloeiperiode, vanaf begin mei zo’n beetje, maakt heel veel goed. Dan is het genieten van al die kleine wondertjes die staan te stralen.

Cypripedium henryi maakt ook forse pollen.
Cypripedium henryi maakt ook forse pollen.

Cypripediums zijn niet de meest ideale beginnersplanten maar voor velen wel de mooiste. Gewoon mee beginnen zou ik zeggen en mocht je een betrouwbare manier weten om ze onze afwisselend natte en koude winterse dagen door te krijgen, laat het me dan even weten…
De planten die het bij mij het beste doen zijn: C. pubescens, C.x ventricosum, C. californicum, C. makasin, C. ‘Ulla Silkens’ en C. flavum. Met C. reginae die de naam heeft de makkelijkste te zijn heb ik altijd problemen.

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris).
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris).
Epipactis 'Sabine'.
Epipactis ‘Sabine’.

 

 

 

 

 

Epipactis
Het geslacht Epipactis kent een behoorlijk aantal soorten en kruisingen die het goed doen in de tuin. Epipactis helleborine groeit hier spontaan en daar heb ik dus geen omkijken naar. Verder heb ik goede ervaringen met E. palustris, E. gigantea en de kruising E. ‘Sabine’. Deze zijn volop verkrijgbaar in de handel tegen redelijke prijzen. Andere mooie Wespenorchissen zijn: E. royleana, E. veratrifolia, E. thunbergii en E. mairei.
Epipactis helleborine heeft bij mij een voorkeur voor schaduw. De anderen staan bij mij zelfs in de volle zon en dat is geen probleem zolang ze voldoende vocht krijgen. Ik heb het idee dat de bodemsamenstelling minder nauw luistert dan bij de Vrouwenschoentjes. De E. helleborine staat vol in de Betuwse klei die hier van nature ligt. Voor de andere soorten kies ik toch een wat luchtiger mengsel.

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) in zijn natuurlijke habitat.
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) in zijn natuurlijke habitat.

Eerder schreef over de moeilijkheid om ze succesvol te zaaien. Vegetatief echter zijn ze eenvoudig te vermeerderen door de wortelstokken te delen. Voor de die-hards die het zaaien toch willen proberen het volgende. Volgens de man van E-bay kiemen kruisingen makkelijker dan de soorten. En zoals gezegd zaait hij op de wortels van de paar genoemde soorten bomen / struiken. Toch behaalde hij ook succes in het laboratorium En daarvoor gebruikte hij deze methode, die ik overigens zelf nog niet heb toegepast. Het zaad van Epipactis helleborine (Breedbladige wespenorchis) oogstte hij achtentwintig dagen na de bestuiving, met andere woorden: hij gebruikte dus een groene peul. Hij zaaide op kamertemperatuur en liet de bakjes een paar maanden bij deze temperatuur staan. Daarna gingen de bakjes de koeling in. Bij een temperatuur van min 1 – plus 3 bleven ze daar minimaal drie maanden en maximaal vier. Daarna werden ze weer op kamertemperatuur gebracht en volgde, als het goed is, kieming. Zo niet, dan was het zaad waarschijnlijk te oud. Voor Epipactis palustris (Moeraswespenorchis) gebruikte hij dezelfde methode en deze orchidee blijkt iets makkelijker te kiemen. En meer kennis over het zaaien van dit moeilijke geslacht heb ik niet.

Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).
Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa).

Dactylorhiza
De Nederlandse naam voor dit geslacht is Handekenskruiden. De vele soorten uit dit geslacht kruisen makkelijk waardoor het op naam brengen niet altijd even makkelijk is. Wel zijn ze vrij makkelijk in de tuin te houden en het zaaien gaat zelfs zeer gemakkelijk. Zelf heb ik ervaring met een viertal soorten en een ondersoort, namelijk: de Rietorchis, de Gevlekte orchis, de IJslandse gevlekte orchis, de Bosorchis en de Purperrode orchis.
De bekendste is de Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa). Het is zonder meer een prachtige plant met een aar die lange tijd bloeit. De naam Rietorchis duidt er al op dat hij liever wat vochtiger staat. In de natuur, met name in het Lauwersmeergebied, komt hij vaak samen voor met de Moeraswespenorchis en wie ben ik om u erop attent te maken dat deze combinatie ook in de tuin zeer fraai is.

Rietorchis (uitgebloeid) en Moeraswespenorchis bij het Lauwersmeer.
Rietorchis (uitgebloeid) en Moeraswespenorchis bij het Lauwersmeer.

Om een idee te geven van de idioterie in de naamgeving bij de Handekenskruiden wil ik dit voorbeeld geven. Linnaeus zou zich omdraaien in zijn graf. Wat dacht u van: Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa var. junialis (Gevlekte rietorchis). Een ondersoort waarin ook nog een variëteit wordt onderscheiden! Het draait allemaal om het al dan niet hebben van vlekken op de bladeren. Wanneer ik Rietorchissen zaai krijg ik zowel gevlekte als ongevlekte exemplaren. Een beetje doorgeschoten hokjesdenken dit.
De Gevlekte orchissen (Dactylorhiza maculata en de IJslandse ondersoort D. maculata subsp. islandica) zijn ook makkelijk te houden. Ze zijn wat fragieler dan de Rietorchis en de bloemen zijn witter van kleur. Het is grappig de IJslandse ondersoort naast de soort te zien staan. De IJslanders blijven bij mij duidelijk kleiner. En dat is een teken dat het niet alleen de groeiomstandigheden op IJsland zijn die de planten daar klein houden. Er speelt duidelijk ook iets genetisch mee.
De Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii) lijkt enorm veel op de Gevlekte orchis. De naam verraadt al dat hij liever een wat schaduwrijke standplaats heeft.
Als laatste noem ik de Purperrode orchis (Dactylorhiza purpurella). Deze lijkt dan weer heel veel op de Rietorchis.
Al mijn Handekenskruiden groeien voortreffelijk in de waterlelieaarde van Velda genaamd Lelite. Direct nadat ze uit de steriele bakjes komen worden de zaailingen daarin geplaatst. En verder is er eigenlijk geen omkijken meer naar.

Bijenorchis (Ophrys apifera).
Bijenorchis (Ophrys apifera).
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon omdat ze zo mooi zijn.
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon omdat ze zo mooi zijn.

Ophrys
De Nederlandse naam voor het geslacht Ophrys is Spiegelorchis. Soorten uit dit geslacht zijn niet makkelijk te houden. Het zaaien is geen probleem; het in leven houden van de zaailingen en planten wel. Enerzijds heeft dat te maken met het vinden van de juiste bodemsamenstelling (en de juiste schimmels?). Ze houden van kalk en daarom wordt vaak mergel toegevoegd. Het heeft zeer zeker ook met ons klimaat te maken en de beetje a-typische levenswijze. De planten gaan in zomerrust en het probleem is om de ondergrondse knollen te behoeden voor wegrotten. In de winter lopen de knollen uit en ontstaan er bladrozetten. Vroeg in het voorjaar bloeien ze dan met ongelooflijk intrigerende bloemen die soortafhankelijk op een bepaald insect lijken. Het insect dat de bloem tracht te imiteren is direct ook de bestuiver van die bloem. Zo trekken Bijenorchissen (Ophrys apifera) bijen aan en Hommelorchissen (Ophrys fuciflora) hommels, zo zou je zeggen. De Bijenorchissen zijn echter niet al te zeker van hun zaak en zijn grotendeels zelfbestuivend en op de Hommelorchissen vliegen met name bijen… Hoe krom wil je het hebben? De twee genoemde soorten zijn het meest gangbaar voor in de tuin.

Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon met
Hommelorchis (Ophrys fuciflora), gewoon met bladgroen.

De nektarloze bloem vertrouwt niet alleen op zijn gelijkenis met het te imiteren insect. Het mannelijke insect wordt ook verleid door feromonen te verspreiden. Het hierdoor aangetrokken en opgewonden geraakte mannetje probeert uiteindelijk te paren met de ‘vrouwelijke’ bloem. Door deze vrijpartij komt stuifmeel terecht op het insect en bij zijn volgende ‘vergissing’ bestuift hij daarmee een andere bloem.

Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.
Bijenorchis (Ophrys apifera.

 


Bletilla

Over het geslacht Bletilla kan ik vrij kort zijn. Bletilla striata (Japanse orchidee) is de bekendste soort en het zaaien ervan is heel gemakkelijk. Het houden in de tuin zou ook heel eenvoudig moeten zijn. Toch valt hier ook niet altijd een peil op te trekken. Bij mensen die de plant ‘zomaar’ ergens neer zetten doet hij het soms verrassend goed en bij anderen die beredeneerd te werk gaan doet hij het vaak helemaal niet. Zelf heb ik een pol Bletilla striata ‘Alba’ staan, de witbloemige versie zeg maar, en die breidt zich al jaren langzaam uit. Daarvoor heb ik verschillende mislukkingen gehad en ik kan er de vinger niet op leggen wat de oorzaak daarvan is geweest. Deze pol staat nu in losse, luchtige aarde die behoorlijk wat organische stof bevat.

Pleione titan.
Pleione titan.

 

Pleione
De soorten uit het geslacht Pleione, en dat zijn er zo’n vijftien tot twintig, moeten welhaast voor een ieder de makkelijkste tuinorchideeën zijn. Behalve makkelijk zijn ze ook nog zeer fraai. Echt winterhard is er maar een: Pleione limprichtii. Pleione formosana is ook behoorlijk winterhard, maar andere soorten moeten echt op een koele vorstvrije plaats overwinteren. Dat kan een garage, kelder of zelfs een koelkast zijn, dat is een beetje naar gelang de soort. Uiterst belangrijk is dat ze in deze periode droog blijven. Rotting in de winterperiode is bij mij de belangrijkste reden van het verlies van deze planten.
Nadat de ergste kou uit de lucht is kunnen de bollen of beter gezegd bulben weer in een grondmengsel gezet worden. De samenstelling hiervan luistert niet echt nauw. De bulben worden met de onderste kwart in de grond gezet en eigenlijk pas als de bloem verschenen is, kan er voorzichtig een begin gemaakt worden met water geven. Wanneer in de herfst de bladeren vergeeld zijn worden de bulben uit de grond gehaald, of worden ze met bak en al naar binnen gehaald om te voorkomen dat ze nat worden.
Het zaaien gaat uitermate gemakkelijk. Ook het maken van kruisingen is erg simpel. Daarom zijn het er ook zoveel… Verder gaat de vermeerdering ook vegetatief makkelijk. De oorspronkelijke bulbe verdwijnt tijdens de groei en als het goed is krijg je er minimaal twee evengrote voor terug. Soms bevinden zich onderaan een grote bulbe nog een aantal kleinere. Die kun je eenvoudig lostrekken van de grote en verder behandelen als een grote. Apart is dat er bovenop de oude bulbe vaak ook een soort van kleine bulben ontstaan. Bulbils heten die, en de Nederlandse naam moet ik u schuldig blijven. Die zet je in de grond en een nieuwe plant is geborenen. Soms is het echt simpel.
De soorten die ik heb geprobeerd zijn: Pleione formosanum, Pleione formosanum ‘Aba’, Pleione titan, Pleione hookeriana, Pleione aurita en Pleione forrestii.

Pleione titan.
Pleione titan.

LEVENDE FOSSIELEN

ginkgo_biloba_blad
Het gelobde blad van een Ginkgo biloba


tekst en fotografie:
Tonny Buijs

De droom ooit eens een dinosaurus in levende lijve te treffen leeft bij velen. En wie weet wat de wetenschap ons nog gaat voorschotelen om ons een echt Jurrasic Park te laten beleven. De droom zal tot die tijd een droom blijven, of toch niet? De T-rex en zijn metgezellen mogen dan van de aardbodem verdwenen zijn, andere organismen, uit lang vervlogen tijden, waarvan men dacht dat ze al lang uitgestorven waren, blijken soms toch nog op enkele ontoegankelijke plaatsen te overleven. En deze overlevers noemen we Levende fossielen.
Het bekendste levende fossiel moet wel de Coelacanth zijn. Deze vis zou al 66 miljoen jaar geleden uitgestorven moeten zijn, toch dook er in 1938 eentje op. Een ware speurtocht volgde en nu onderscheiden we zelfs twee soorten die helaas beide zwaar bedreigd worden in hun bestaan.
De drie levende fossielen die ik in mijn tuin heb zijn vertegenwoordigers uit het plantenrijk, om wat preciezer te zijn: het zijn bomen. Hun oorspronkelijke leefgebieden mogen dan verdwenen of zeer beperkt zijn, door toedoen echter van plantenliefhebbers zijn ze nu verspreid geraakt over een groot deel van de wereld en lijkt hun toekomst rooskleurig te noemen.
In het vervolg van dit artikel ga ik dieper in op de Japanse notenboom (Ginkgo biloba), de Wollemia nobilis, nog zonder Nederlandse naam, en de Watercipres, synoniem met Chinese moerascipres, met de mooiste Latijnse naam van alle: Metasequoia glyptostroboides.
De Wollemia nobilis is de recentste ontdekking. Vanaf zijn vondst in 1994 heb ik het verhaal van deze Australische conifeer met belangstelling gevolgd. Dit voorjaar heb ik eindelijk een exemplaar kunnen aanschaffen waarmee mijn verzameling van mij bekende Levende fossiele bomen compleet is.

Wollemia nobilis een levend fossiel
Wollemia nobilis of Wollemi Den
Metasequoia glyptostroboides een levend fossiel
Metasequoia glyptostroboides of Watercipres
Ginkgo biloba een levend fossiel
Ginkgo biloba of Japanse notenboom

Tuin- en plantenliefhebbers zijn er in vele soorten en maten. Er zijn tuinliefhebbers die het liefst geen planten in de tuin hebben, want onderhoud. En aan de andere kant van het spectrum zijn er de verzamelaars. Zij streven ernaar om binnen de door hun gekozen specialiteit alle planten een plekje te geven in hun tuin en reken maar dat daar veel tijd in gaat zitten. Botanische tuinen, en een bijzondere vorm daarvan de arboreta, zijn hiervan een voorbeeld. Deze tuinen vragen om een behoorlijke oppervlakte en zullen daardoor voor de meesten van ons te hoog gegrepen zijn. Maar er zijn liefhebbers genoeg die een speciale varen-, orchideeën-, of een rotstuin met alpine planten hebben.
Ik, zei de gek, besloot de levende fossiele bomen te verzamelen. Ondanks dat het er maar drie zijn heb ik toch te weinig ruimte om ze in de volle grond in de tuin aan te planten en daarom staan ze bij mij in potten. Daarin groeien ze uit tot mooie miniatuurvormen zonder dat het daarmee bonsaiboompjes worden. Mijn bomen snoei ik dan ook niet. Ze behouden hun natuurlijke vorm en dat is naar mijn mening ook de mooiste. Zoals een leraar ooit vertelde: moet een boom gesnoeid worden dan heeft de planter een verkeerde standplaats gekozen, deze had moeten kiezen voor een plek met meer ruimte. Even los daarvan, dat we fruitbomen wel snoeien gebeurt om een speciale reden: we streven simpelweg naar een grotere opbrengst.
Een groot voordeel van het planten in potten is de flexibiliteit. Naar gelang smaak en wens kun je de bomen een plek geven die op dat moment jouw voorkeur geniet. Een nadeel is dat de planten meer aandacht nodig hebben. Water en voeding zijn beperkt tot wat de beperkte potomvang kan bieden en dienen derhalve goed in de gaten te worden gehouden zodat de boom geen gebrek lijdt. En wanneer een felle zon rechtstreeks op de potten schijnt, moet je er niet raar van opkijken dat de wortels welhaast gekookt kunnen worden. Zorg daarom, met name in die periode, voor schaduw op de pot.

Ginkgo biloba bladeren
Het diep gelobde blad van de Ginkgo biloba is zeer fraai.


De Japanse notenboom
…
… is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit China. De enige plek waar hij nog in het wild voor zou komen is het berglandschap van de provincie Zhejiang in oostelijk China. Zo zie je maar weer hoe misleidend Nederlandse namen kunnen zijn! Het verhaal gaat dat de boom met het boeddhisme vanuit China meegekomen is naar Japan. Hij werd met name aangeplant bij tempels, vandaar ook wel de naam Japanse tempelboom. De eerste Europeaan die de boom beschreef, in 1712, zag de boom in Japan, vandaar. En zo’n beetje rond 1730 maakten de eerste Ginkgo’s al hun opwachting in Europa.

Ginkgo biloba blad
Ginkgo biloba blad van een andere boom. Wel twee lobbig, maar niet zo diep ingesneden.

In een aspect is de Ginkgo absoluut uniek. Het is geen conifeer, met naalden of schubben, en het is ook geen loofboom met bladeren. Wel lijkt zijn overigens zeer fraaie ‘blad’ het meest op een ‘echt’ blad. Maar wie beter kijkt, ziet daarin geen nerfstructuur. Het Ginkgo-blad is samengesteld uit parallel lopende naalden. Het is de enige bekende boom die dit heeft. Ik vind het altijd prachtig wanneer er in de natuur, of waar dan ook, weer iets opduikt dat niet in een hokje van de gevestigde orde past. Het tweelobbige blad, vandaar de soortaanduiding biloba, verkleurt in de herfst voor het afvalt prachtig diep geel. Naast de opvallende groeivorm is dat nog een goede reden om deze boom in een flinke tuin aan te planten, want Ginkgo’s worden wel groot…. Een meter of twintig hoog behoort zeker tot de mogelijkheden.
Mijn eerste Ginkgo’s heb ik zelf gezaaid. Plantenliefhebbers zullen beamen dat zelf zaaien extra voldoening geeft. Voor een goede bestuiving heb je in dit geval zeker twee bomen nodig. De Japanse notenboom is tweehuizig, dat wil zeggen dat je zowel mannelijke als vrouwelijke exemplaren hebt. Velen geven er de voorkeur aan alleen de mannelijke bomen aan te planten. De reden daarvoor is de enorme stank, veroorzaakt door boterzuur, die vrijkomt wanneer het vruchtvlees rond de zaden begint te rotten. Mannelijke bomen hebben wel zaad, het stuifmeel, maar vormen geen zaden, dus vandaar. Je moet wel wachten op de eerste bloemen om een exemplaar als man of vrouw te kunnen duiden….

Ginkgo biloba bij kerk te Elst
Japanse noten- of tempelboom bij de kerk in Elst. Of een kerk een tempel is weet ik niet, maar dat hier een Romeinse tempel heeft gestaan is zeker.

De Ginkgo is al lange tijd in cultuur en daardoor zijn er bepaalde selecties gemaakt. Tussen al die tienduizenden zaailingen zitten er altijd een paar die de liefhebber meer aanspreken dan al die anderen. Dat kunnen exemplaren zijn die van nature kleiner blijven of bijvoorbeeld een iets andere bladvorm bezitten. Zulke tot de verbeelding sprekende bomen krijgen vaak een eigen aparte naam. Achter Ginkgo biloba komt dan bijvoorbeeld tussen haakjes ‘Mariken’ te staan, of ‘Baldii’. Deze twee vormen van de Japanse notenboom heb ik zelf aangeschaft. De ‘Mariken’ blijft veel kleiner dan de ‘soort’ en heeft een bolvormige kroon, en is daardoor veel beter geschikt voor een kleine tuin. De ‘Baldii’ groeit zeer compact en heeft heel kleine bladeren. Voor de hoogte na tien jaar wordt voor deze boom twee meter opgegeven. Zo bezien is er voor elke tuin wel een geschikte tempelboom te vinden.

Gingkgo biloba bij de kerk in Elst.
Tweede Japanse notenboom bij de kerk in Elst.

De eigenschappen van zulke geselecteerde bomen kunnen alleen behouden worden door vegetatieve vermeerdering, bij bomen gebeurt dat doorgaans door middel van enten.
Hier in de buurt, bij de Oude kerk in Elst,  staan twee grote Japanse notenbomen.

De Watercipres….
…..is in het wild alleen te vinden in China. Rond het jaar 2005 bevond zich daar nog een bos met zo’n 5.500 exemplaren en verder nog een paar plaatsen met wat kleinere groepjes.
De moderne geschiedenis van de Metasequoia begint echter in 1941. Door bestudering van fossiele plantenresten komt een wetenschapper tot de conclusie een nieuw plantengeslacht gevonden te hebben dat hij Metasequoia noemt wat zoveel zeggen wil als: net als een Sequoia. Geen van de gevonden fossielen was minder dan anderhalf miljoen jaar oud.
Een enorm toeval wil, en de mooiste verhalen zijn vaak doorspekt met toeval, dat in datzelfde jaar een boswachter in China een enorme voor hem onbekende boom vond die deel uitmaakte van een plaatselijk heiligdom. Het verhaal stopt hier even tot in 1943 een ander, een Chinese bosopziener, naar verluidt delen van een onbekende boom verzamelde waarvan men nu aanneemt dat het om dezelfde boom ging als die van 1941. Na bestudering kwam men tot de conclusie dat het om een voor de wetenschap nieuwe soort ging.
Pas in 1946, na de oorlogsjaren, werd verband gelegd tussen de fossielen en de levende boom, en kreeg deze de naam Metasequoia glyptostroboides. In 1948 werden van deze boom zaden verzameld die gestuurd werden naar diverse universiteiten en arboreta wereldwijd, waaronder Nederland. Hiermee werd de verspreiding van de soort in volle gang gezet.

blad van de Metasequoia glyptostroboides
Blad van de Watercipres

Mijn Watercipres heb ik uit zaad vermenigvuldigd. En dat bleek niet echt makkelijk. Uit een tiental zaden kiemde er slechts een waardoor ik op deze boom extra zuinig ben. Het stekken schijnt veel makkelijker te zijn, maar dat heb ik zelf nog niet geprobeerd.
Om even een kleine zijsprong te maken: de Watercipres is een van de drie overgebleven Sequoias. De grootst groeiende boom van de wereld is ook een Sequoia en dat spreekt natuurlijk zeer tot de verbeelding. Het is de Kustmammoetboom, Sequioa semperviren om precies te zijn, en het hoogste bekende exemplaar is zo’n 115 meter. De derde Sequoia is de Sequoiadendron giganteum, of Mammoetboom. De hoogste daarvan is genaamd de General Sherman en die is zo’n 84 meter groot. Met zijn maximale hoogte van zo’n 60 meter is de Watercipres maar een ukkie.
Vanzelfsprekend heb ik ook al deze Sequoias verzameld.

Een bijzonderheid aan de Watercipres is het feit dat het een naaldverliezende conifeer is. Iedere herfst laat hij zijn naalden vallen. Er zijn niet veel coniferen die hetzelfde kunstje flikken, maar we kennen uiteraard allemaal onze eigen inheemse Lariks. Het is dus niet zo dat bij andere coniferen de naalden er tot in de lengte van dagen aan blijven zitten. De boom vervangt deze wel degelijk; nooit allemaal tegelijk en het is niet zo seizoensgebonden. Voordat de Watercipres zijn zacht aanvoelende naalden laat vallen heeft hij eerst een schitterende oranje-bruine / roestbruine herfstverkleuring.
Helaas wordt de Metasequoia glyptostroboides, om zijn naam nog maar eens voluit te schrijven, veel te groot voor een doorsnee tuin. Zelf heb ik het nog niet gezien maar hij schijnt ook wel als haag te worden aangeplant. Of zijn enorme groeikracht dan als voor- of nadeel gezien moet worden laat ik in het midden. Een voordeel is natuurlijk wel dat hij op zeer natte plaatsen kan groeien.
Vlakbij het Sonsbeekpaviljoen in park Sonsbeek in Arnhem staat langs het water een ruim 33 meter hoog exemplaar. Grappig is dat pal naast deze Watercipres een Moerascipres (Taxodium distichum) staat die nog net iets groter is. Wil je ze uit elkaar kunnen houden dan is het goed te weten dat een Watercipres rechttegenovergestelde knoppen heeft (en daarmee dus ook de scheuten en takken), en de Moerascipres niet. ‘Appeltje eitje’, zou Willem zeggen.

De Wollemia nobilis…
……heeft geen Nederlandse naam. De geslachtsnaam Wollemia slaat op de plaats waar deze conifeer in 1994 op 10 september gevonden werd: het Wollemi national park gelegen aan de rand van de Blue Mountains in New South Wales, Australië. Zo’n 150 kilometer bij Sydney vandaan. Daarvoor was de boom alleen bekend als fossiel. Een letterlijke vertaling van de Engelse naam Wollemi Pine zou in het Nederlands Wollemi Den worden. Dat zou een optie kunnen zijn, ware het niet dat Wollemia geen Pinus is en dat Den dus in feite nergens op slaat. Maar goed de Kerstroos is ook geen roos… en een Toverhazelaar geen hazelaar.
De naaste levende verwanten van de Wollemi Den zijn de Agathis australis met zijn Maori naam: Kauri. Ik kende hem niet, maar deze kennen we allemaal: de Araucaria araucana. Beter bekend onder zijn Nederlandse namen Apenboom en Slangenden.

Wollemi Den eindknop
De eindknop van de Wollemi Den.

Tijdens een avontuurlijke tocht inclusief abseilen werd de boom gevonden door een zekere David Noble, twee keer raden waar dan de soortaanduiding nobilis vandaan komt… Hij herkende de plant niet en brak een twijg af die hij bevriende botanisten liet zien. Pas na de inzet van een helikopter om ook een paar zaadkegels te verzamelen werd vastgesteld dat het om een nieuwe soort ging. Een waarvan men dacht dat die al miljoenen jaren geleden was uitgestorven.
De verspreiding in het wild is zeer beperkt, zowel qua vindplaatsen als qua aantallen. De soort is alleen te vinden in drie bij elkaar gelegen diepe zandsteen ravijnen waar de omstandigheden gunstig zijn voor het ontstaan van een gematigde regenwoud vegetatie (dus geen tropisch regenwoud). In 1998 stonden daar veertig volwassen bomen en zo’n tweehonderd zaailingen. Van enkele volwassen exemplaren wordt de leeftijd geschat tussen de vijfhonderd en duizend jaar. De oudste Wollemi Den staat inmiddels bekend als ‘King Billy’. Overigens zijn de vindplaatsen niet publiekelijk toegankelijk.
Ik kon eigenlijke niet wachten tot ik zelf een Wollemia nobilis zou zien of zelfs aan mijn verzameling zou kunnen toevoegen. Zelf zaaien was geen optie. De plant wordt beschermd door zogenaamd kwekersrecht. Men wil de verkoop van planten gestructureerd laten verlopen en de opbrengst daarvan gebruiken om de bomen in het wild te beschermen en behoeden voor uitsterven. Een nobel streven. Voorjaar 2015 was het dan zover. In België, in het arboretum van Kalmthout kocht ik mijn boom. Behoorlijk aan de prijs, maar daar is zoals gezegd een goede reden voor.
Of de boom in Nederland ook zo vanzelfsprekend zal worden als de Japanse notenboom en Watercipres is nog maar de vraag. Laatstgenoemde bomen zijn zeer winterhard terwijl dat bij de Wollemi Den nog afwachten is. De boom in Kew gardens Engeland zou inmiddels – 10 graden Celsius overleefd hebben. Ik neem echter voorlopig het zekere voor het onzekere. Ik zet mijn exemplaar bij naderende vorst op een vorstvrije plaats weg. En dat is dan weer een groot voordeel van het planten in potten. In Kew hebben ze ook ontdekt bij welke zuurgraad de plant het beste groeit, namelijk Ph 4,7. En hij staat het liefst in half schaduw.

Naalden van de Wollemia nobilis
De zachte naalden van de Wollemi Den.

Het duurde lang voordat de plant in het voorjaar op gang kwam. Uiteindelijk heeft hij toch een behoorlijke groei doorgemaakt. De 40 meter zal hij bij mij nooit halen. Wel is het zo dat het zomer en winter een mooi plaatje is omdat hij zijn lange zachte platte naalden niet verliest. Het wachten is nu op de kegels. De plant is eenhuizig en heeft dus zowel mannelijke als vrouwelijke kegels. En met name de laatsten zijn fraai.

 

Nog steeds worden nieuwe planten- en diersoorten door de wetenschap ontdekt. Levende fossielen trekken meestal net nog iets meer aandacht. Niet vreemd. Zoals Jezus Lazarus uit de dood wekte, heeft het zien van iets dat er al lang niet meer behoort te zijn, iets wonderlijks.